wedstrijd Dordrecht - Souburg

Home / wedstrijd Dordrecht - Souburg

Beslissing van de Commissie van Beroep van de Koninklijke Nederlandse Schaakbond

1. Inleiding

Bij brief van 30 maart 2001 heeft de schaakclub Dordrecht beroep aangetekend tegen de beslissing van de competitieleider van de KNSB van 22 maart 2001 betreffende de wedstrijd Dordrecht - Souburg op 17 maart 2001 in de derde klasse van de KNSB-competitie. De beslissing van de competitieleider houdt in dat de zes partijen die met een tijdsachterstand van 40-45 minuten aan de zijde van Souburg zijn gespeeld overgespeeld dienen te worden, omdat de betreffende zes spelers zich, naar het oordeel van de competitieleider terecht, op overmacht hebben beroepen ten aanzien van het te laat komen door hen.

Naast de bestreden beslissing van de competitieleider en het beroepschrift heeft de commissie kennis genomen van de volgende stukken:

  • het wedstrijdformulier van de wedstrijd op 17 maart 2001;
  • een brief van 18 maart 2001 van de schaakklub Souburg, waarmee zij bij de competitieleider protest aantekent tegen de beslissing van de wedstrijdleider;
  • een brief van 2 april 2001 van de schaakklub Souburg aan de competitieleider;
  • een brief van 2 april 2001 van de schaakclub Dordrecht over de datum van het overspelen van de partijen;
  • een brief van 5 april 2001 van de schaakklub Souburg met een reactie op het beroep;
  • een brief van 9 april 2001 van de competitieleider, waarmee de datum van het overspelen van de zes partijen nader is bepaald op 28 april 2001.

2. Motivering

In deze zaak gaat het om een beroep op overmacht wegens te laat komen bij het wedstrijdlokaal en, hieraan gekoppeld, het verzoek om de reeds verstreken speeltijd terug te geven.
Voor het in werking stellen van de klokken is uitgangspunt het vastgestelde begintijdstip van de wedstrijd. In beginsel dient ieder team en iedere afzonderlijke speler op dit tijstip aanwezig te zijn.
Niettemin zijn er altijd uitzonderingssituaties denkbaar waarin sprake kan zijn van overmacht.

Voor dit soort situaties geven noch de FIDE regels voor het schaakspel noch het KNSB-competitiereglement expliciete regels. In het voorwoord van de FIDE regels is wel de overweging opgenomen dat deze regels niet voor alle situaties een regeling kunnen geven en de regels ook bewust niet te gedetailleerd zijn beschreven; aan de arbiter is een bepaalde vrijheid gelaten om voor een concreet probleem een oplossing te vinden gebaseerd op logica, billijkheid en bijzondere omstandigheden. Het KNSB-competitiereglement geeft daarnaast in artikel 2 lid 1 aan dat de competitieleider de taak heeft te beslissen in geschillen en onvoorziene gevallen, waaronder begrepen gevallen waarin de reglementen niet voorzien.

Naar het oordeel van de commissie komt aan de competitieleider een zekere beoordelingsvrijheid toe als het gaat om beslissingen over zaken die niet in de reglementen zijn geregeld, zoals de onderhavige. De commissie zal daarom toetsen of de competitieleider in redelijkheid tot zijn beslissing heeft kunnen komen.

Voor een beroep op overmacht wanneer spelers te laat zijn gekomen, moet aan enkele voorwaarden zijn voldaan.
De spelers moeten tijdig zijn vertrokken, gelet op de omstandigheden die hen bekend waren of bekend konden zijn vóór hun vertrek. Voorts is vereist dat het te laat komen is veroorzaakt door omstandigheden waaraan zij niets kunnen doen en die niet in hun risicosfeer liggen. Tenslotte is van belang dat de spelers al het mogelijke doen om zo snel mogelijk bij het speellokaal te komen en om contact te zoeken met de wedstrijdleider of thuisclub.
Aan de hand van de feiten, zoals die uit de stukken naar voren komen en over welke feiten partijen het eens zijn, heeft de competitieleider naar redelijkheid kunnen beslissen dat hier van overmacht sprake is geweest. De beslissing om de zes partijen te laten overspelen, vloeit hieruit logischerwijs voort.

Schaakclub Dordrecht heeft in haar beroep nog aangevoerd dat schaakklub Souburg een dubbele kans krijgt op een gunstige uitslag, nu zij zowel de wedstrijd heeft gespeeld als haar protest tegen de beslissing van de wedstrijdleider heeft doorgezet. Naar de mening van de commissie is een tijdsnadeel van 40-45 minuten van zes spelers zodanig zwaarwegend dat er dan niet meer kan worden gesproken van gelijkwaardige kansen. In de gegeven omstandigheden heeft schaakklub Souburg redelijk gehandeld door meteen protest aan te tekenen en de zes spelers hun partijen wel te laten spelen.

Het beroep wordt derhalve ongegrond verklaard. In de omstandigheden van de zaak vindt de commissie aanleiding te bepalen dat de cautie dient te worden terugbetaald aan schaakclub Dordrecht.

3. Beslissing De Commissie van Beroep

  • verklaart het beroep ongegrond;
  • bepaalt dat de cautie dient te worden terugbe-taald aan de schaakclub Dordrecht;
  • besluit hiervan mededeling te doen aan het bestuur van de KNSB.

Aldus vastgesteld op 18 april 2001 door de heren H.A. Bartels, E. Roosendaal en R.J.C. Wessels, leden van de commissie van beroep. Vanwege het spoedeisende belang heeft de commissie haar beslissing meteen telefonisch bekend gemaakt en later, op 27 april 2001, op schrift gesteld; namens de leden van de commissie van beroep is de uitspraak ondertekend door H.A. Bartels.