wedstrijd HMC Calder 2 - Sliedrecht

Home / wedstrijd HMC Calder 2 - Sliedrecht

Beslissing van de Commissie van Beroep van de Koninklijke Nederlandse Schaakbond
zaaknummer 0304-2

1.

Inleiding

Bij brief van 15 januari 2004 heeft de schaakclub HMC Calder beroep aangetekend tegen de beslissing van de competitieleider van de KNSB, verzonden op 7 januari 2004, betreffende de wedstrijd HMC Calder 2 - Sliedrecht op 13 december 2003 in klasse 3G van de KNSB-competitie.

De wedstrijdleider, de heer L. Muijs, had een speler van HMC Calder 2, de heer G. De Rooij, tevens teamleider van de thuisspelende vereniging, een nul toegekend, nadat diens mobiele telefoon was afgegaan tijdens de wedstrijd, omdat een teamgenoot hem wilde informeren over zijn late komst. HMC Calder heeft een bezwaar ingediend bij de Competitieleider KNSB, dhr. A.A. Schuering. Kort weergegeven hield dit bezwaar in dat de heer De Rooij ten onrechte een 0 is toegekend, omdat hij tevoren van de wedstrijdleider een ontheffing had gekregen van de - nog niet in het Competitiereglement vastgelegde - regel dat mobiele telefoons van spelers bij aanvang van een wedstrijd uitgezet dienen te worden. De ontheffing was verleend vanwege de zwangerschap in vergevorderd stadium van de vrouw van de heer De Rooij. Bovendien stelde HMC Calder dat het direct toekennen van de nul, zonder waarschuwing bij de eerste overtreding, hoe dan ook niet kon berusten op een tijdens de wedstrijd geldende regel. In zijn beslissing heeft de competitieleider dit bezwaar verworpen en daarmee de beslissing van de wedstrijdleider om een nul toe te kennen intact gelaten.

Naast de bestreden beslissing van de competitieleider en het beroepschrift heeft de commissie kennis genomen van de volgende stukken:

  • de brief van 23 december 2003 van de schaakclub HMC Calder, waarmee zij bij de competitieleider bezwaar aantekent tegen de beslissing van de wedstrijdleider;
  • een brief van 13 december 2003 van de heer Muijs, wedstrijdleider bij de betreffende wedstrijd, met zijn visie op het door HMC Calder ingediende en op het wedstrijdformulier aangetekende protest;
  • de competitiemailing van 25 september 2003 met daarin opgenomen het advies van de Scheidsrechterscommissie over het gebruik van mobiele telefoons tijdens wedstrijden;
  • het verslag van 29 oktober 2003 van het 74e FIDE Congres, "Rules and Tournament Committe" (Spelregelcommissie);
  • de competitiemailing van 31 januari 2004 met daarin opgenomen de richtlijn over het gebruik van mobiele telefoons tijdens wedstrijden;
  • een e-mailbericht van 10 februari 2004 van de heer Slagboom, teamleider van Sliedrecht, aan de heer H. van Putten van de Commissie van Beroep, waarin hij het relaas en het optreden van de heer Muijs bevestigt c.q. onderschrijft.

2.

Motivering

Noch de FIDE regels voor het schaakspel noch het KNSB-competitiereglement geven expliciete regels voor het gebruik van mobiele telefoons tijdens de wedstrijd. Wel geeft de competitiemailing van 25 september 2003 een voorlopige voorziening in de vorm van een advies van de Scheidsrechterscommissie dat luidt: "Alle mobiele telefoons dienen uitgezet te worden (geen trilstand). Indien een arbiter constateert dat een mobiele telefoon van een speler aanstaat krijgt de speler een officiële waarschuwing. Indien de speler voor een tweede keer betrapt wordt, verklaart de arbiter de partij verloren."

Deze regeling is aangescherpt in de competitiemailing van 31 januari 2004, waarin op advies van de Scheidsrechterscommissie de volgende richtlijn is opgenomen: "De wedstrijdleider deelt voor de wedstrijd mee dat alle mobiele telefoons moeten worden uitgezet (ook een trilstand is niet toegestaan) en dat als tijdens de wedstrijd een mobiele telefoon afgaat, de speler van wie de mobiele telefoon is, een nul krijgt. Als tijdens de partij een mobiele telefoon afgaat, verklaart de wedstrijdleider de partij verloren voor de speler van wie de mobiele telefoon is." Deze richtlijn is in overeenstemming met het standpunt van de Spelregelcommissie van de FIDE van 29 oktober 2003 en zal in werking treden vanaf ronde 6 van de KNSB-competitie 2003/2004. Bij gebrek aan expliciete regels in het Competitiereglement mogen wedstrijdleider en competitieleider uitgaan van het vigerende advies c.q. richtlijn van de Scheidsrechterscommissie. Voor de competitieronden 1 tot en met 5 was dit het advies van de Scheidsrechterscommissie als verwoord in de competitiemailing van 25 september 2003. Het KNSB-competitiereglement geeft daarnaast in artikel 2 lid 1 aan dat de competitieleider de taak heeft te beslissen in geschillen en onvoorziene gevallen, waaronder begrepen gevallen waarin de reglementen niet voorzien en die heeft bij het uitoefenen van die taak een zekere beoordelingsvrijheid, zoals de commissie al enkele malen heeft overwogen.

Die beoordelingsvrijheid gaat evenwel niet zo ver dat de competitieleider - of de wedstrijdleider - kan afwijken van de essentie van een bestaand advies van de Scheidsrechterscommissie dat kennelijk is verspreid met de bedoeling bindend te zijn in afwachting van een expliciete regeling in het Competitiereglement. Eén van de essentiële elementen in dit advies is de voorafgaande waarschuwing aan een speler na een overtreding. De inmiddels gebruikelijke algemene waarschuwing door de wedstrijdleider voorafgaand aan het begin van een wedstrijd, die ook in dit geval is gegeven, kan niet worden beschouwd als zo'n waarschuwing aan een speler na diens eerste overtreding. De commissie tekent daarbij nog aan dat de verspreiding van een nieuwe richtlijn in januari 2004, die het toekennen van een nul na de eerste overtreding mogelijk maakt, overbodig zou zijn geweest, als de algemene waarschuwing meteen kan worden beschouwd als waarschuwing aan een individuele overtreder. Uit de toelichting van de wedstrijdleider, die bij gebrek aan tegenspraak door een der betrokken partijen vaststaat, blijkt dat hij meteen een nul heeft toegekend aan de heer De Rooij, nadat diens mobiel voor de eerste keer was afgegaan. Deze beslissing is niet verenigbaar met het advies van de Scheidsrechterscommissie en dient op zichzelf te leiden tot gegrond verklaren van het beroep.

Daarnaast is door de wedstrijdleider aan de heer De Rooij voor het begin van de wedstrijd ontheffing verleend van de verplichting om zijn mobiele telefoon uit te schakelen. Hieraan zijn blijkens de verslaglegging van de wedstrijdleider kennelijk geen nadere voorwaarden gesteld ten aanzien van de aard van de binnenkomende gesprekken of de consequentie van een binnenkomend gesprek. Uiteraard kunnen deze door de ontvanger ook niet worden beheerst, zodat het niet goed voorstelbaar is dat de ontheffing louter ziet op binnenkomende telefoontjes van de vrouw van de heer De Rooij. Ook de uitleg dat een binnenkomend gesprek zou leiden tot het vrijwillig accepteren van een nul door de heer De Rooij, of tot diens vertrek komt de commissie niet logisch voor. Ook de aard van de verleende ontheffing dient op zichzelf te leiden tot gegrond verklaren van het beroep.

Wel tekent de commissie ten overvloede aan dat het overweging verdient om voortaan bij het verlenen van een ontheffing - waarmee vanzelfsprekend terughoudend moet worden omgegaan - eerst te zoeken naar alternatieve oplossingen die minder stoornis met zich mee brengen dan mobiele bereikbaarheid van een speler zelf, zoals ook de competitieleider terecht aangaf in zijn beslissing. Te denken valt aan het doorgeven van een telefoonnummer van de speellocatie buiten de speelzaal, of het mobiele telefoonnummer van een toeschouwer of non-playing captain, die in de gelegenheid zijn ook tijdens de wedstrijd regelmatig ingesproken berichten of SMS-berichten af te luisteren of uit te lezen buiten de speelzaal.

Aan de hand van alle gegevens en op grond van bovenstaande overwegingen is de commissie van mening dat de competitieleider in redelijkheid niet tot zijn beslissing heeft kunnen komen. Het beroep wordt derhalve gegrond verklaard. Derhalve dient de cautie te worden terugbetaald aan schaakclub HMC Calder.

3.

Beslissing

De Commissie van Beroep

  • verklaart het beroep gegrond;
  • verklaart de uitslag van de partij tussen de heren De Rooij en Slagboom uit de wedstrijd HMC Calder 2 - Sliedrecht vervallen; bepaalt dat deze partij voor 6 maart 2004 in zijn geheel dient te worden overgespeeld in het clublokaal van HMC Calder, of op een in onderling overleg voor 22 februari 2004 overeengekomen andere locatie; de verenigingen kunnen in onderling overleg een datum afspreken. Wanneer over de datum voor 22 februari 2004 geen overeenstemming is bereikt, zal de competitieleider de datum vaststellen;
  • bepaalt dat de cautie dient te worden terugbetaald aan de schaakclub HMC Calder;
  • besluit hiervan mededeling te doen aan het bestuur van de KNSB.

Aldus vastgesteld op 12 februari 2004 door de heren H. van Putten, C.A. Roet en R.J.C. Wessels, leden van de Commissie van Beroep, en namens de leden van de Commissie van Beroep ondertekend door H. van Putten.