wedstrijd Oegstgeest '80 2 - Botwinnik

Home / wedstrijd Oegstgeest '80 2 - Botwinnik

Beslissing van de Commissie van Beroep van de Koninklijke Nederlandse Schaakbond
Zaaknummer 0708-1

1.

Inleiding

 

Bij brief, bij de KNSB binnengekomen, allereerst per mail op 17 oktober 2007, heeft de schaakclub Oegstgeest '80 tijdig - binnen de in het Competitiereglement opgenomen beroepstermijn van 2 weken - beroep aangetekend tegen de beslissing van de competitieleider van de KNSB. De Commissie beschouwt overigens per e-mail verzonden beroepen, waarvan vast staat dat zij tijdig en in goede orde ontvangen zijn, als gelijkwaardig aan beroepen die zijn ingediend bij aangetekend schrijven in de zin van artikel 3 lid 2. De beslissing van de Competitieleider is verzonden per e-mailbericht aan de heer Weiland, teamleider van Oegstgeest '80 2, op 4 oktober 2007 en betreft de wedstrijd Oegstgeest '80 2 - Botwinnik, gespeeld op 15 september 2007, in de 3e klasse G van de KNSB-competitie.

De enig relevante en onbetwistbare feiten zijn dat de heer J. Faydi (ELO 2023) is ingevallen in de wedstrijd Oegstgeest '80 2 tegen Botwinnik en speelde tegen de heer J. W. Duijzer (ELO 2111). Deze invalbeurt vond geen genade in de ogen van de Competitieleider in zijn uitspraak van 4 oktober.

Naast de bestreden beslissing van de competitieleider en het beroepschrift heeft de commissie kennis genomen van de volgende stukken:

  • de mailings van de competitieleider d.d. 6 oktober 2007 en 24 november 2007 met daarin opgenomen de Richtlijn invallersbepaling;
  • de op de KNSB-site gepubliceerde opstellingen van de KNSB-teams in het seizoen 2007-2008.


2.


Motivering

 

De norm voor het opstellen van invallers is opgenomen in artikel 13 lid 3 van het KNSB-competitiereglement 2007-2008. De sanctie voor overtredingen van deze norm is te vinden in artikel 14 van dit reglement. De volledige artikelen 13 en 14 luiden:

"Artikel 13

  1. Een team wordt opgegeven in volgorde van speelsterkte.
  2. In het geval dat een vereniging met meer dan 1 team deelneemt aan de competitie moet het eerste team sterker zijn dan het tweede, het tweede sterker dan het derde, etc. De sterkte wordt gebaseerd op de nationale ratingcijfers.
  3. Een lid, dat niet ingevolge artikel 11, lid 2, van dit reglement voor enig team is opgegeven, behoort niet als invaller te fungeren in een lager team dan dat, waartoe het redelijkerwijze moet worden gerekend, indien het wel zou zijn opgegeven. Om te bepalen tot welk team een lid redelijkerwijze moet worden gerekend indien het zou zijn opgegeven, is niet alleen de rating van de speler van belang, maar kunnen ook andere factoren een rol spelen. Als een vereniging een beroep wil doen op dergelijke andere factoren, dan dienen voordat de betreffende wedstrijd wordt gespeeld de aangevoerde omstandigheden door de competitieleider te zijn gehonoreerd.

Artikel 14

Bij overtreding van de bepalingen van artikel 12 en 13 lid 3 verklaart de competitieleider de partij steeds verloren voor de speler, die ten onrechte aan de wedstrijd heeft deelgenomen."

Alvorens een inhoudelijk oordeel te geven stelt de Commissie voorop dat zij overtuigd is van de goede trouw van de vereniging Oegstgeest '80 en de functionarissen van die vereniging, ook in deze kwestie.

In zijn algemeenheid geldt volgens de meerderheid van de Commissie ten aanzien van art. 13 lid 3 de interpretatie zoals eerder door de Commissie van Beroep opgenomen in de uitspraak van de Commissie van Beroep 0506-1: "Artikel 13 lid 3 laat door de gekozen redactie, onder meer door het gebruik van de term "redelijkerwijze", schijnbaar enige ruimte om spelers op te stellen die qua rating sterker zijn dan spelers in een hoger team van dezelfde vereniging. Echter blijkt deze ruimte bij nauwkeurige beschouwing zonder voorafgaande toetsing door de Competitieleider illusoir, omdat deze term gelezen moet worden in relatie tot de rest van de volzin waarin die term "redelijkerwijze" is opgenomen en de laatste zin van art. 13 lid 3. Dan blijkt weliswaar dat naast de rating ook "andere factoren" een rol kunnen spelen bij het bepalen of een bepaalde invaller mag worden opgesteld, maar dat een beroep op dergelijke factoren vooraf door de competitieleider moet zijn gehonoreerd. Nauwkeurig lezen van het Competitiereglement mag gevraagd worden van functionarissen bij de aan de competitie deelnemende verenigingen."

Voor alle duidelijkheid tekent de Commissie hierbij nog aan dat art. 13 lid 2 de vaste opstelling regelt en art. 13 lid 3 het invallen, wat betekent dat voorbeelden uit de ene sfeer zeggingskracht missen voor de andere sfeer. Dit verklaart ook het verschil in normstelling tussen beide leden.

Oegstgeest '80 stelt specifiek enkele beroepsgronden aan de orde, die zijn onder te verdelen in twee categorieën: één die de speler betreft en één die de handelwijze van de bevoegde organen van de KNSB ten aanzien van de invallerregeling betreft. In deze uitspraak worden deze gronden verkort weergegeven.

1)

  1. Jonathan Faydi is opgegeven voor Oegstgeest '80 3, de regeling van art. 13 lid 3 is daarmee niet van kracht en derhalve mocht hij zonder voorafgaande instemming van de Competitieleider invallen.

Art. 13 lid 3 verwijst naar art. 11 lid 2 van het Competitiereglement. Hieruit moet worden afgeleid dat alleen teams waarop het Competitiereglement van kracht is, dus KNSB-teams, relevant zijn voor het terzijde stellen van de invallerregeling uit art. 13 lid 3. Deze beroepsgrond treft dus geen doel.

  1. Jonathan Faydi volgt een opleiding op zaterdag en is daardoor beperkt beschikbaar voor KNSB-wedstrijden.

  2. Oegstgeest '80 heeft veel spelers in de categorie 1900-2100, waardoor verschillen in de orde van grootte van 40 ELO-punten tussen ratinglijsten regelmatig voorkomen. Oegstgeest '80 lijkt hiermee te doelen op een verschil in rating tussen Faydi en de hoogstgerate speler in Oegstgeest '80 2.

De beroepsgronden onder b) en c) betreffen "andere factoren" die een rol kunnen spelen, als tevoren toestemming van de Competitieleider voor het invallen is gevraagd. Hoewel zij in die context naar de inschatting van de Commissie relevant geweest zouden zijn, kunnen zij geen rol spelen, nu die voorafgaande instemming van de Competitieleider in dit geval niet is gevraagd.

2)

Oegstgeest '80 beroept zich op de eerder aangehaalde uitspraak 0506-1 van de Commissie van Beroep en stelt, verkort weergegeven, dat de KNSB als gevolg van de overwegingen ten overvloede in die uitspraak:

  1. de redelijkheid van de invallerregeling ter discussie had moeten stellen;

  2. het Competitiereglement anders had moeten redigeren, met onder meer een uitgeschreven procedure voor de invallerregeling; dit temeer nu de Competitieleider aanvullende communicatie in competiemailings kennelijk noodzakelijk achtte.

Hoewel de Commissie zich had kunnen voorstellen - en dat nog steeds kan - dat het KNSB-bestuur meer had gedaan met de overwegingen ten overvloede in de uitspraak 0506-1 ten aanzien van de redactie van de regeling en de communicatie over de regeling, is het uiteindelijk aan het bestuur om te beslissen over dergelijke acties. Dit geldt nog sterker voor de overweging ten aanzien van beleid ten aanzien van de redelijkheid van de regeling. Nu de huidige regeling echter gelijkluidend is aan die uit het Competitiereglement uit het seizoen 2005-2006, kan ook deze beroepsgrond geen doel treffen.

Ten overvloede en concreet meent de Commissie dat het bestuur in elk geval zou kunnen besluiten de inhoud van de competitiemailings betreffende de invallerregeling op te nemen in een toelichting op het Competitiereglement zelf, wat de kenbaarheid van de in de praktijk weerbarstig blijkende regeling vergroot.

Resumerend meent de Commissie van Beroep geen ruimte te hebben om de regel in art. 13 lid 3 anders te interpreteren dan de Competitieleider in zijn uitspraak van 4 oktober heeft gedaan en anders dan zijzelf deed in de uitspraak 0506-1. Ook kan de Commissie niet besluiten om de sanctie van art. 14 achterwege te laten, zelfs niet nu de Commissie overtuigd is van de goede trouw van Oegstgeest '80 en ondanks de door deze vereniging aangevoerde argumenten. De sanctie in art. 14 volgt blijkens de redactie van art. 14 bovendien onontkoombaar op een geconstateerde overtreding van art. 13 lid 3.


3.


Beslissing

 

De Commissie van Beroep

  • verklaart het beroep ongegrond;
  • laat de door de competitieleider vastgestelde uitslag 0 - 1 van de partij aan bord 1 tussen de heren J. Faydi (Oegstgeest '80 2, wit) en J.W. Duijzer (Botwinnik) uit de wedstrijd Oegstgeest '80 2 - Botwinnik ongewijzigd;
  • bepaalt dat de cautie dient te worden terugbetaald aan de schaakclub Oegstgeest '80;
  • besluit hiervan mededeling te doen aan het bestuur van de KNSB.

Aldus vastgesteld op 31 december 2007 door de heren H. van Putten, A. A. Schuering en C. Versteeg, leden van de Commissie van Beroep, en namens de leden van de Commissie van Beroep ondertekend door H. van Putten.