Wedstrijd HWP Haarlem - Caïssa 3

Home / Wedstrijd HWP Haarlem - Caïssa 3

Beslissing van de Commissie van Beroep van de Koninklijke Nederlandse Schaakbond.

Nummer: 0910/2

 

1.         Inleiding

Per brief, bij de KNSB binnengekomen op 10 mei 2010, heeft de schaakclub HWP Haarlem tijdig - binnen de in het Competitiereglement opgenomen beroepstermijn van 2 weken - beroep aangetekend tegen de beslissing van de competitieleider van de KNSB d.d. 6 mei 2010.

De beslissing van de competitieleider betreft de wedstrijd HWP Haarlem - Caïssa III, gespeeld op 17 april 2010, in de 2e klasse B van de KNSB-competitie. De zaak gaat om de partij op bord 1 tussen M. Kremer (Caïssa III) met wit en B. Gijswijt (HWP Haarlem) met zwart en wel over de vraag of de heer Kremer gerechtigd was om in te vallen in Caïssa III.

De commissie heeft telefonisch en via de email verschillende bij de zaak betrokken personen om nadere toelichting gevraagd en de schaakclub Zukertort Amstelveen als belanghebbende vereniging de gelegenheid gegeven haar visie op de zaak te geven.

Zodoende heeft de commissie naast de bestreden beslissing van de competitieleider en het beroepschrift kennis genomen van de volgende stukken:

  • Het aan de competitieleider, de heer P. de Jong, gerichte protest van de heer P.A. Tuijp, voorzitter van de schaakclub HWP Haarlem en teamleider van HWP Haarlem, tegen het meespelen van de heer Kremer in de bewuste wedstrijd.
  • Een nadere toelichting per email door de competitieleider en de teamleider van Caïssa III, de heer T.Spits.
  • De zienswijze van de heer H. Boot, voorzitter van Zukertort Amstelveen.
  • Een bericht van de KNSB-ratingcommissaris, de heer M.Jans over de berekeningsystematiek van het vigerende ratingsysteem van de KNSB.
  • Diverse e-mailberichten over het meespelen van de heer Kremer in eerdere competitiewedstrijden tijdens dit seizoen.

 

2. Motivering

De norm voor het opstellen van invallers is opgenomen in artikel 13 lid 2 van het KNSB-competitiereglement 2009-2010. De sanctie voor overtredingen van deze norm is te vinden in artikel 14 van dit reglement. De volledige artikelen 13 en 14  luiden:

Artikel 13

  1. In het geval dat een vereniging met meer dan 1 team deelneemt aan de competitie moet het eerste team sterker zijn dan het tweede, het tweede sterker dan het derde, etc. De sterkte wordt gebaseerd op de nationale ratingcijfers.
  2. Een lid, dat niet ingevolge artikel 11, lid 2, van dit reglement voor enig team is opgegeven, behoort niet als invaller te fungeren in een lager team dan dat, waartoe het redelijkerwijze moet worden gerekend, indien het wel zou zijn opgegeven. Om te bepalen tot welk team een lid redelijkerwijze moet worden gerekend indien het zou zijn opgegeven, is niet alleen de KNSB-rating en als hij geen KNSB-rating heeft, de FIDE-rating (aan het begin van het seizoen) van de speler van belang, maar kunnen ook andere factoren een rol spelen. Als een vereniging een beroep wil doen op dergelijke andere factoren, dan dienen voordat de betreffende wedstrijd wordt gespeeld de aangevoerde omstandigheden door de competitieleider te zijn gehonoreerd. Invallen is toegestaan wanneer de KNSB-rating en als hij geen KNSB-rating heeft, de FIDE-rating (aan het begin van het seizoen) van de invallende speler niet hoger is dan 40 + de rating van de hoogste ratinghouder van het team waarin wordt ingevallen of niet hoger is dan de rating van de laagste ratinghouder van het eerstvolgende hogere team van dezelfde vereniging (in de opstelling volgens artikel 11.2).

Artikel 14

Bij overtreding van de bepalingen van artikel 12 en 13 lid 2 verklaart de competitieleider de partij steeds verloren voor de speler, die ten onrechte aan de wedstrijd heeft deelgenomen.

Alvorens een inhoudelijk oordeel te geven stelt de Commissie voorop dat zij overtuigd is van de goede trouw van de vereniging Caïssa en de functionarissen van die vereniging, ook in deze kwestie. 

De bezwaren van HWP Haarlem komen er kort weergegeven op neer dat de competitieleider niet had mogen beslissen dat de heer Kremer mocht invallen in Caïssa III, omdat zijn FIDE-rating meer dan 40 punten hoger is dan de KNSB-ELO van de hoogste ratinghouder van het team waarin hij inviel (in dit geval Caïssa III) en hoger dan de laagste ratinghouder van het eerstvolgende hogere team (in dit geval Caïssa II).

De competitieleider wees een protest van HWP Haarlem, vrijwel gelijkluidend aan het beroepschrift, af door vergelijking van uitsluitend de FIDE-ELO's van de heer Kremer en de spelers van Caïssa II en III. De speler met de hoogste ELO van Caïssa III bleek in die vergelijking slechts 18 ELO-punten minder te hebben dan de heer Kremer, waardoor deze volgens de competitieleider mocht invallen.

De Commissie meent dat de regel dat de ranglijsten van het begin van het seizoen maatgevend zijn, tot gevolg heeft dat de KNSB-ratinglijst van augustus 2009 en de FIDE-ratinglijst van september 2009 van toepassing zijn op de beoordeling van de teamsterkte en de invallerbepalingen. Verder begrijpt de Commissie artikel 13 lid 2 zo dat de hoofdregel is dat de KNSB-ELO van toepassing is, als een speler daar over beschikt. Dit betekent dat ook in het geval een andere speler waarmee vergeleken wordt alleen een FIDE-ELO heeft (zoals in dit geval), niet teruggegrepen mag worden op een eventueel ook geldende FIDE-ELO van de eerste speler.

De Commissie vergelijkt met deze uitgangspunten de ELO van de heer Kremer met die van de relevante spelers van Caïssa 3 en 2.

De rating van de heer Kremer is 2185, gebaseerd op de FIDE-ratinglijst van september 2009.

De rating van de hoogste ratinghouder in Caïssa 3, gebaseerd op de KNSB-ratinglijst van augustus 2009 is 2089. Dit levert een bovengrens op van 2089 + 40 = 2129.

De rating van de laagste ratinghouder in Caïssa 2 is 2111. Dit levert een toegelaten bovengrens op van 2111.

De rating van de heer Kremer bevindt zich boven de beide bovengrenzen.

In deze zaak is verder relevant dat de heer Kremer na een per definitie toelaatbare invalbeurt in Caïssa I in ronde 1 eerder is ingevallen in Caïssa 3 in de wedstrijd tegen VAS op 31 oktober 2009. Zoals blijkt uit e-mailberichten heeft Caïssa toen wel de invalbeurt vooraf aan de competitieleider voorgelegd. Deze gaf simpel toestemming, omdat de competitieleider (net als Caïssa) kennelijk in de veronderstelling verkeerde dat de heer Kremer aan het begin van het seizoen noch een KNSB-rating, noch een FIDE-rating had. Een eventueel beroep op "andere factoren" kon daardoor niet aan de orde komen in de beoordeling door de competitieleider. "Andere factoren" zoals bedoeld in art. 13 lid 2 hadden een rol kunnen spelen, als tevoren dispensatie aan de competitieleider voor het invallen is gevraagd met een uitdrukkelijk beroep op die andere factoren.

Hoewel de competitieleider enige simpele research naar een eventuele ELO-rating van de heer Kremer had kunnen en moeten doen, toen de eerste invalbeurt van de heer Kremer in Caïssa III aan de orde kwam, weegt voor de Commissie zwaar dat ook Caïssa dit eenvoudige onderzoekje zelf had kunnen en moeten verrichten. ELO-ratings van een speler zijn via internet in luttele tijd op te zoeken. De Commissie merkt daarbij op dat de heer Kremer in de jaren negentig een bekende speler met een hoge rating was, zodat zijn club had kunnen vermoeden dat hij anno 2010 nog steeds een FIDE-rating had. Nu Caïssa dit onderzoek heeft nagelaten, staat de Commissie geen andere dan de kwantitatieve toetsen uit artikel 13 lid 2 open.  De Commissie kwam daarbij al tot de conclusie dat de heer Kremer een te hoge ELO had om te mogen invallen in Caïssa III. Derhalve treffen de stellingen van HWP Haarlem doel en dient de Commissie het beroep van HWP Haarlem toe te wijzen.

Gezien de omstandigheden van het geval beslist de commissie dat de door HWP Haarlem gestorte cautie dient te worden terugbetaald.

 

3. Beslissing

De Commissie van Beroep

  • verklaart het beroep gegrond;
  • wijzigt de uitslag 1 - 0 van de partij aan bord 1 tussen de heren M. Kremer (Caïssa III) met wit en B. Gijswijt (HWP Haarlem) met zwart in 0-1;
  • bepaalt dat de cautie dient te worden terugbetaald aan de schaakclub HWP Haarlem;

besluit hiervan mededeling te doen aan het bestuur van de KNSB.

Aldus vastgesteld op 9 juni 2010 door de heren H. van Putten, B. Plomp en Th. Van Beekum, leden van de Commissie van Beroep, en namens de leden van de Commissie van Beroep ondertekend door H. van Putten.