Wedstrijd Sliedrecht - Promotie

Home / Wedstrijd Sliedrecht - Promotie

Beslissing van de Commissie van Beroep van de Koninklijke Nederlandse Schaakbond

Wedstrijd Sliedrecht - Promotie, klasse 3E, 17 september 2011
Zaaknummer 111201

1.        Inleiding

Bij email van 8 november 2011 heeft de teamleider ('TL') van Promotie tijdig binnen de termijn van veertien dagen van artikel 3 lid 2 van het KNSB-Competitiereglement ('CR'), beroep ingesteld tegen de beslissing van de Competitieleider ('CL') van 26 oktober 2011.

De Commissie van Beroep ('CvB') heeft voorts kennis genomen van de volgende stukken:

  • het wedstrijdformulier van de op 17 september 2011 te Sliedrecht tussen Promotie en Sliedrecht gespeelde wedstrijd met daarop de door de TL van Promotie geplaatste aantekening 'O.P.' (= 'onder protest');
  • de toelichting d.d. 21 september 2011 van de TL van Promotie op het protest van Promotie;
  • het verslag d.d. 21 september 2011 van M. Van Hulst, de door Sliedrecht aangewezen wedstrijdleider ('WL') bij die wedstrijd;
  • de reactie van de TL van Sliedrecht op het protest van Promotie;
  • de reactie d.d. 11 november 2011 van Sliedrecht op het beroep van Promotie;
  • een op verzoek van de CvB door de TL van Promotie d.d. 22 november 2011 gegeven toelichting op de feitelijke gang van zaken gedurende de wedstrijd;
  • een op verzoek van de CvB door de WL d.d. 25 november 2011 afgelegde verklaring;
  • een door de TL van Promotie d.d. 25 november 2011 verstrekte aanvulling op zijn eerder verstrekte toelichting.

2.        Het bezwaar en het beroep

De bezwaren van Promotie betreffen een viertal beslissingen van de WL. Promotie verzoekt voorts deze bezwaren ook in onderlinge samenhang te beoordelen.

De eerste drie door Promotie aangevallen beslissingen betreffen de gang van zaken op bord 4 (N. Snikkers, Sliedrecht, wit, tegen H. Noordhoek, Promotie, zwart) voor, tijdens en na de eerste tijdcontrole, te weten (1) de WL heeft voordat de vlag gevallen was op een vraag van de speler van Sliedrecht bevestigd dat  40 zetten waren gespeeld, (2) de WL heeft nagelaten aan de spelers te verzoeken de gespeelde zetten te reconstrueren, en (3) de WL heeft de reconstructiepogingen op een gegeven moment gestaakt, de klok weer aangezet en de spelers opgedragen door te spelen.

De vierde beslissing betreft een volgens Promotie in strijd met de voorschriften door Sliedrecht toegepaste en door de WL aanvaarde wijziging van de opstelling nadat beide partijen hun opstellingen gelijktijdig bij de WL hadden ingeleverd. Toen een speler van Sliedrecht niet kwam opdagen heeft Sliedrecht, volgens Promotie nadat de opstellingen waren overhandigd, de speler van bord 8 de plaats van de niet opgekomen speler aan bord 2 doen innemen en een invaller (de TL van Sliedrecht) aan bord 8 doen plaats nemen.

De CL heeft op 27 oktober 2011 omtrent de eerste drie beslissingen van de WL geoordeeld dat de WL weliswaar meerdere fouten heeft gemaakt maar dat dit niet betekent dat wijziging dient te worden aangebracht  in de uitslag van de desbetreffende partij die in onderlinge overstemming in remise is geëindigd. Omtrent de vierde beslissing, over de wijziging van de opstelling van Sliedrecht, heeft de CL geen beslissing genomen.

In beroep stelt Promotie alle vier de beslissingen van de WL opnieuw aan de orde.

Promotie verzoekt de CvB maatregelen te nemen (1) zodat structurele overtredingen van de reglementen door Sliedrecht  niet meer voor zullen komen en (2) zodat Sliedrecht geen voordeel zal hebben van de overtredingen die volgens Promotie hebben plaats gevonden.

3.        Motivering

3.a      Ontvankelijkheid

De CvB beoordeelt allereerst de ontvankelijkheid van de door Promotie gemaakte bezwaren en van het door Promotie ingestelde beroep. Daarvoor zijn twee punten van belang.

3.a.1   Geen maatregelen voor de toekomst

Het eerste punt is dat Promotie de CvB primair verzoekt maatregelen te nemen zodat structurele overtredingen van de reglementen door Sliedrecht niet meer voor zullen komen.

Een dergelijke vergaande bevoegdheid heeft de CvB niet.

Behoudens thans niet ter zake dienende uitzonderingen is het systeem van het CR  (1) dat de WL de wedstrijd leidt en te dien aanzien in eerste instantie beslist, (2) dat de CL naar aanleiding van deswege gemaakte bezwaren de beslissingen van de WL in stand laat of vernietigt (en in het laatste geval beslist wat de gevolgen daarvan voor de wedstrijd zijn) en (3) dat de CvB evenzo oordeelt over de beslissingen van de CL. Wederom behoudens thans niet ter zake doende uitzonderingen zijn dat alleen beslissingen betreffende de gespeelde wedstrijd. Maatregelen ten aanzien van een WL die foutief handelt of nalatig is behoren in beginsel  evenmin tot de bevoegdheid van de CvB.

Het verzoek van Promotie dat de CvB maatregelen zal nemen zodat structurele overtredingen van de reglementen door Sliedrecht in de toekomst niet meer voor zullen komen dient dus te worden afgewezen ongeacht het oordeel van de CvB over de feitelijke gang van zaken en over de handelingen, beslissingen en nalatigheden van de WL.

3.a.2   Is de vermelding 'O.P.' op het wedstrijdformulier voldoende?

3.a.2(i)          Voor wat betreft de gebeurtenissen aan bord 4.

Het tweede punt betreft de vraag of de vermelding 'O.P.' op het wedstrijdformulier, zonder aanduiding waarop het protest betrekking heeft, voldoende is.

Artikel 21.3 CR bepaalt dat een TL slechts bezwaar kan maken tegen de (een) beslissing van de WL mits het bezwaar uit het uitslagformulier blijkt. Deze bepaling dient zo uitgelegd te worden dat moet blijken van een bezwaar tegen een of meer concrete beslissingen van de WL en niet slechts van een algemeen en ongericht bezwaar of protest.

De enkele vermelding 'O.P.' kan desondanks voldoende wanneer aan de betrokkenen - de TLs van beide verenigingen en de WL - , in voldoende mate duidelijk was of moet zijn geweest  welke beslissing(en) van de WL de protesterende vereniging op het oog heeft. Voor wat betreft de gebeurtenissen voor, tijdens en na de tijdcontrole aan bord 4 is dat naar het oordeel van de CvB in voldoende mate het geval.

Promotie is derhalve ontvankelijk in haar protest tegen de eerste drie beslissingen van de WL, en in haar beroep voor zover de CL omtrent die bezwaren heeft beslist.

3.a.2(ii)        Voor wat betreft de wijziging van de opstelling

Voor wat betreft het bezwaar van Promotie tegen de wijziging van de opstelling is dat anders.

De TL van Promotie schrijft  (toelichting TL Promotie d.d. 22 november 2011, punt 5): '[t]ijdens de wedstrijd heb ik het wedstrijdformulier bekeken en heb mij afgevraagd wie nu de invaller aan een hoog bord was. En ben ik tot de conclusie gekomen dat er kennelijk twee invallers waren, J. Van Rekom en de invaller aan een hoog bord'.  

De TL van Promotie was dus al tijdens de wedstrijd op de hoogte van de feiten.  (Daaraan doet niet dat het weliswaar de blijkens de KNSB Competitiegids door Promotie  als TL opgegeven H. Noordhoek was die het dubbele invallen van Sliedrecht spelers constateerde maar dat diezelfde H. Noordhoek volgens Promotie tijdens de wedstrijd niet als TL optrad. De CvB is van oordeel dat de wetenschap van de door een vereniging als TL opgegeven persoon die bovendien bij de wedstrijd aanwezig is (en daaraan zelfs deelneemt) in de regel en zeker in het onderhavige geval als wetenschap van de als TL optredende persoon dient te worden aangemerkt.)

De TL schrijft ook (zelfde stuk, punt 7): '[t]ijdens of direct na de wedstrijd heeft SV Promotie de foute opstelling niet genoemd.' De WL (verklaring d.d. 25 november 2011) heeft dit bevestigd.

Dit stilzwijgen tezamen met de enkele vermelding 'O.P.' op het uitslagformulier waarvan voor alle andere betrokkenen slechts duidelijk kon zijn dat het betrekking had op de kwestie aan bord 4 leidt tot de conclusie dat van het bezwaar van Promotie tegen de wijziging van de opstelling niet (in voldoende mate) uit het uitslagformulier blijkt.

Juist is overigens dat de CL ook op dit bezwaar van Promotie had dienen te beslissen. Omdat de CL dat niet gedaan zal de CvB de beslissing nemen die de CL had behoren te nemen, nl. Promotie niet ontvankelijk verklaren in het bezwaar tegen deze beslissing van de WL en het beroep van Promotie op dit punt afwijzen.

Ten overvloede merkt de CvB het volgende op. De weergaven van de feiten door Promotie enerzijds en door Sliedrecht en de WL anderzijds lopen volstrekt uiteen. De TL van Promotie verklaart (toelichting TL Promotie d.d. 22 november 2011) dat de opstellingen van beide teams ongeveer een half uur1 voor de aanvang van de wedstrijd gelijktijdig door B. Bannink namens Promotie en door een aan Promotie onbekend persoon (niet zijnde J. Van Rekom) namens Sliedrecht zijn ingeleverd en dat  ongeveer een half uur later,2 kort voor de aanvang van de wedstrijd, de TL van Sliedrecht J. Van Rekom heeft laten weten dat de speler van bord 2  niet zou komen en dat de invaller eigenlijk niet aan bord 2 wilde spelen. De TL van Promotie verklaart dat B. Bannink dit bevestigt. Sliedrecht verklaart (reactie d.d. 11 november 2011, punt 1) evenwel dat de enige opstelling die is ingeleverd de opstelling is waarin de wijzigingen waar het om gaat reeds waren aangebracht en dat de TL van Sliedrecht J. Van Rekom degeen is die de opstelling heeft ingeleverd. De WL verklaart (verklaring d.d. 25 november 2011) dat hij de opstellingen van beide partijen kort voor de aanvang van de wedstrijd (en dus niet reeds ongeveer een half uur te voren) gelijktijdig van B. Bannink namens Promotie en van  J. Van Rekom namens Sliedrecht heeft ontvangen., en dat in de door J. Van Rekom overhandigde opstelling de wijzigingen waarop Promotie doelt reeds waren aangebracht.

Deze verklaringen kunnen niet alle waar zijn. Iemand spreekt hier onwaarheid; wie dat is/zijn laat de CvB uitdrukkelijk in het midden. De CvB is daardoor geschokt.

Omdat Promotie evenwel niet ontvankelijk is in dit bezwaar (zie hiervoor) behoeft de CvB noch omtrent de juistheid van de gestelde feiten, noch omtrent de vraag op wie eventueel de bewijslast rust ,en evenmin omtrent de vraag of een wijziging van de opstelling zoals die volgens Promotie heeft plaats gevonden in strijd met de voorschriften is, te beslissen.

4.        De gebeurtenissen aan bord 4

De CvB stelt voorop dat de door Sliedrecht aangestelde WL  op een aantal punten onjuist dan wel minder effectief heeft gehandeld.

De WL had niet mogen antwoorden op de vraag van de speler van Sliedrecht aan  bord 4 of er 40 zetten waren gedaan (de eerste beslissing waartegen Promotie bezwaar maakt).  De WL is er klaarblijkelijk niet in geslaagd om in de tijdnoodfase de stelling en de zetten aan bord 4 te noteren (art. 8.5 a. FIDE Reglement); de omstandigheid dat ook aan een ander bord tijdnood optrad is in beginsel geen excuus want een goede WL zorgt dan voor een assistent (wederom art. 8.5 a. FIDE Reglement). De WL heeft volgens Sliedrecht (toelichting d.d. 21 september 2011) de klok (voor de eerste maal) stilgezet voordat een vlag was gevallen. De WL heeft  klaarblijkelijk toegelaten dat in strijd met art. 8.5 b. FIDE Reglement na het vallen van de vlag nog een of meer zetten werden gedaan in plaats overeenkomstig art. 8.5 a. FIDE Reglement de klok prompt stil te zetten en de partijen hun reconstructie te doen aanvangen (de tweede beslissing waartegen Promotie bezwaar maakt).

De derde beslissing betreffende bord 4 waartegen Promotie bezwaar is de beslissing  van de WL om de reconstructiepogingen op een gegeven moment te staken, de klok weer aan te zetten en partijen op te dragen door te spelen. Art. 8.6 FIDE Reglement schept die mogelijkheid. Of de notatiebiljetten wel of niet konden worden bijgewerkt is in beginsel ter beoordeling van de WL. Alle verklaringen van de betrokkenen in aanmerking nemend is de CvB van oordeel dat de WL die beslissing op het moment dat hij de nam in redelijkheid kon nemen. Die beslissing van de WL acht de CvB derhalve niet onjuist.

Voor een reconstructie na het einde van de partij laat het FIDE Reglement geen ruimte. Art. 8.6 FIDE Reglement  gaat immers uitsluitend uit van reconstructie tijdens de partij. Tijdoverschrijding waardoor de partij reeds voorafgaand aan het aanvaarde remise aanbod zou zijn geëindigd kan dus niet langer rechtsgeldig worden geconstateerd.

De hiervoor geconstateerde fouten en nalatigheden van de WL zowel afzonderlijk als tezamen in aanmerking nemend, is de CvB het met de CL eens dat de speler van Sliedrecht niet voor de bedoelde handelingen c.q. nalatigheden van de WL gestraft behoort te worden. Of de speler van Sliedrecht daarvan een (ontoelaatbaar) voordeel heeft gehad kan niet worden vastgesteld nu reconstructie van de gespeelde zetten tijdens de partij niet heeft plaatsgevonden en, als gezegd, tijdoverschrijding niet langer kan worden geconstateerd.

De uitslag aan bord 4 (overeengekomen remise) dient derhalve te blijven gehandhaafd.

5.        De cautie

De CvB vindt reden om 50% van het in art. 3.2 bedoelde bedrag  aan Promotie te laten terugbetalen.

6.        De beslissing

De Commissie van Beroep:

Verklaart het beroep van Promotie ongegrond, met verbetering van de beslissing van de CL en van de motivering daarvan zoals hiervoor vermeld;

Bepaalt dat 50% van het door Promotie betaalde bedrag bedoeld in art. 3.2 Competitiereglement aan Promotie zal worden terugbetaald.

Aldus vastgesteld op 5 december 2011 door Th.M.M. van Beekum, C. Versteeg en E.M. Enschedé, leden van de Commissie van Beroep en namens de Commissie van Beroep ondertekend door E.M. Enschedé



1 Na verzending van deze uitspraak heeft de TL van Promotie er terecht op gewezen dat dit een verkeerde weergave van zijn verklaring is. De juiste weergave is 'acht  à tien minuten' in plaats van 'ongeveer een half uur'. De TL van Promotie heeft overigens tegelijkertijd opgemerkt dat dit niet van invloed is op de uitspraak. De CvB is het met een en ander eens, zodat hier inderdaad 'acht à tien minuten' dient te worden gelezen.

2 Om de reden welke in voetnoot 1 is vermeld dient hier in plaats van 'ongeveer een half uur later' te worden gelezen: 'acht à tien minuten later.'